Gertrudiskerk
De eerste kerk op de locatie van de huidige Gertrudiskerk werd omstreeks 1175 gebouwd. In die periode lag Lutkewierum nog op korte afstand van de voormalige Middelzee, ongeveer een halve kilometer verderop. Het omliggende gebied was toen echter al bedijkt. Het dorp bevond zich aan de zuidoostkant van de Oosterenderpolder, een van de oudste polders van Friesland. Deze polder omvatte naast Oosterend ook de dorpen Itens, Lutkewierum en de huidige plaatsen Rien en Reahûs.
Veel Friese kerken werden in de middeleeuwen op hoge terpen gebouwd om bescherming te bieden tegen overstromingen. Voor Lutkewierum was dat minder noodzakelijk. Een bescheiden verhoging van het maaiveld bleek voldoende om de kerk veilig te kunnen bouwen.
De kerk werd toegewijd aan Sint Gertrudis van Nijvel, abdis van een vrouwenklooster in het huidige België. Zij stond bekend als beschermheilige van reizigers en werd daarnaast aangeroepen tegen ratten- en muizenplagen. Mogelijk is dat de reden dat een kat een plaats heeft gekregen in het dorpswapen van Lutkewierum. Tijdens haar leven, tussen 626 en 659, maakten handelaren gebruik van de Middelzee als vaarroute. Vermoedelijk konden reizigers in de omgeving van Lutkewierum hun schip aanleggen en hier tijdelijk onderdak vinden.
Een ingrijpende gebeurtenis vond plaats in 1515, toen Lutkewierum vrijwel volledig werd verwoest door de troepen van De Zwarte Hoop onder leiding van Godschalk Jongema. Deze groep huursoldaten had eerder deel uitgemaakt van het Saksische leger en trok na een nederlaag tegen de troepen van de Habsburgers plunderend door Friesland. Op hun tocht werden tal van dorpen getroffen door vernielingen en brandstichtingen.
Ook de kerk bleef niet gespaard. Vooral de zuidzijde liep zware schade op, terwijl delen van de noordmuur behouden bleven. Daarnaast verdween de kerkklok. Dat deze verloren is gegaan, blijkt uit documenten waaruit naar voren komt dat al in 1516 een nieuwe klok werd besteld.
De wederopbouw van de kerk nam vele jaren in beslag en werd uiteindelijk afgerond in 1557. Ter herinnering aan die periode is in de zuidmuur een steen aangebracht met de vermelding dat een brood destijds dertien stuivers kostte. Mogelijk verwijst deze tekst naar een tijd van grote schaarste of een mislukte oogst. Daarbij moet worden aangetekend dat een brood in de zestiende eeuw aanzienlijk groter was dan het brood dat wij tegenwoordig kennen.


